Daarom loont het ook de moeite om bedekkingen door deze objecten van zeer zwakke sterren waar te nemen met amateur telescopen. Een langere integratietijd, nodig om de ster in beeld te krijgen, heeft bij een lange bedekkingstijd nog steeds een goede nauwkeurigheid. Bedekkingen door TNO ‘s, Centaurs en planeetmanen worden o.a. gemeld op deze website.
Waarnemen van bedekkingen door TNO’s, Centaurs en verre planeetmanen. Deze objecten staan erg ver van de Zon, en bewegen daarom relatief langzaam. Bovendien zijn er lang niet zoveel bekend als planetoïden. Dat betekent dat dat deze bedekkingen wat minder vaak voorkomen, enkele keren per jaar. Omdat deze hemellichamen zo langzaam bewegen, maar ook omdat ze gemiddeld genomen groter zijn dan de meeste planetoïden, duurt een bedekking relatief lang, soms wel 2 tot 5 minuten.
Voorbeelden van de flux helderheid grafiek van een sterbedekking door de Saturnusmaan Titan. De helderheid van de ster neemt langzaam af wanneer deze achter Titan verdwijnt, en neemt ook weer langzaam toe. In het midden is de Centrale Flits” te zien. Op de rechter afbeelding is de centrale flits uitvergroot. (Afbeelding van de Lucky Star website).
De gemeten flux van de bedekking door Chariklo, opgenomen met de 1,5 meter Deense telescoop in La Silla van ESO.Eerst wordt het licht van de ster verzwakt doordat de dubbele ring er voor langs schuift. Ongeveer 10 s later gaat Chariklo zelf voor de ster langs. Weer ongeveer 10 seconden later gaat de andere kant van de ringen voor de ster langs.
Centaurs. Centaurs zijn van oorsprong ook TNO’s. De banen van de Centaurs kruisen de banen van de grote planeten ( Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus). Ze zijn ooit, en wellicht astronomisch gezien helemaal niet zo verschrikkelijk lang geleden, vanuit het TNO rijk naar binnen gemigreerd. Omdat ze door de grote gas planeten lopen, zijn hun banen niet stabiel. Wanneer ze in een baan komen met een bepaalde resonantie met een grote gasplaneet, kan het miljoenen jaren goed gaan, maar vroeg of laat raken ze toch weer de weg kwijt en vliegen ze alle kanten op. Centaurs zijn anders van samenstelling dan de gewone planetoïden, ze bevatten meer ijs en minder steen en ijzer. Ringen Bij sterbedekkingen door TNO’s is ontdekt dat sommige TNO’s een ring blijken te hebben. Hoeveel TNO’s een ring hebben, en waardoor deze ontstaat is niet duidelijk. Er zijn verschillende mogelijkheden. Wanneer een TNO een maan heeft, welke de TNO te dicht nadert, kan de maan uit elkaar getrokken worden, waarna het puin in een ringvormige baan om de TNO blijft bewegen voor een zekere tijd. Een andere mogelijkheid is dat bij een botsing tussen twee TNO’s materiaal opgeworpen wordt, wat ook uiteindelijk voor een deel in een baan rondom de TNO terecht komt. Een voorbeeld van een TNO met een ring is de Centaur (10199) Chariklo. Tijdens de bedekking van een ster door Chariklo in 2013 werden twee ringen ontdekt. De bedekking werd waargenomen door 13 verschillende waarnemers, zowel amateurs als profs. Objecten met een atmosfeer Sommige TNO’s, maar ook de manen Triton van Neptunus en Titan van Saturnus hebben een atmosfeer. Bij TNO’s is de dichtheid van de atmosfeer onder andere afhankelijk van de momentane afstand tot de Zon. De banen van TNO’s rondom de Zon zijn vaak langgerekt. Wanneer ze het dichtste bij de Zon staan is de atmosfeer het meest ontwikkeld, maar bewegen ze ver van de Zon weg, dan zal een deel van de atmosfeer op het oppervlak gaan aanvriezen. Tijdens de bedekking van een ster door een hemellichaam met een atmosfeer, is deze atmosfeer te detecteren. Als het sterlicht, vlak voor de eigenlijke bedekking door de atmosfeer schijnt, wordt het afgezwakt. Ook direct na het weer tevoorschijn komen van de ster achter het hemellichaam vandaan, zal het sterlicht even door de atmosfeer gaan, en iets afgezwakt worden. Aan de verzwakking van het sterlicht is af te leiden hoe dicht de atmosfeer is. Door in de loop van jaren meerdere bedekkingen waar te nemen is ook af te leiden in hoeverre de atmosfeer veranderd in relatie met de zons afstand, en kan daarmee iets gezegd worden over de samenstelling van de atmosfeer en het oppervlak van de TNO of maan. Indien een waarnemer in lijn staat met de bedekte ster en het centrum van een hemellichaam met een atmosfeer, kan er een zogenaamde “Central Flash”, of een plotselinge lichtflits te zien zijn. Dat ontstaat door refractie en reflectie (zie refractie en reflectie). Ook als de waarnemer net naast de centrale lijn zit, kan er nog iets van een lichtflits te zien zijn. Aan de sterkte en de vorm van de flits, is af te leiden wat de dichtheid van de atmosfeer en in hoeverre de atmosfeer elliptisch rondom het hemellichaam is verdeeld.
Pluto is wel de bekendste TNO. Deze opname is in 2016 gemaakt door het ruimtevaartuig New Horizons. Vanaf de Aarde is Pluto alleen zichtbaar met een flinke telescoop als een erg zwakke ster. (Foto NASA)
TNO. Een TNO ofwel een Trans Neptunian Object is eigenlijk zo’n beetje van alles wat buiten de baan van Neptunus in het zonnestelsel rondvliegt buiten de kometen. De baan van Neptunus ligt op zo’n 30 AE (astronomische eenheden – 150 miljoen km) van de Zon. TNO’s staan daarom per definitie ver weg, en zijn erg zwak en moeilijk detecteerbaar. Pluto is, sinds hij zijn planeet status is kwijtgeraakt, wel de meest bekende TNO, maar er zijn er sinds 25 jaar veel meer ontdekt. Op dit moment zijn er ruim 2300 min of meer bekend. De nu bekende TNO’s bewegen zich vooral in de zogenaamde Kuiper belt, welke zich tot op een afstand van 55 AE uitstrekt. De omlooptijden rondom de Zon beslaan honderden tot duizenden jaren. TNO’s bestaan vermoedelijk voor een deel uit gecondenseerde of bevroren gassen, vooral methaan ijs, maar hebben waarschijnlijk ook een kern van steen en mogelijk wat ijzer. Kometen worden meestal niet tot de TNO’s gerekend; een echte scheidslijn tussen kometen en TNO’s is moeilijk te trekken omdat sommige TNO’s opeens kometen blijken te zijn als ze de Zon wat dichter naderen. In vergelijking met kometen hebben TNO’s een grotere dichtheid, en zijn minder poreus. Op zich kan een komeet ook een ster bedekken, maar dat is veel moeilijker waarneembaar. Kometen bevatten veel meer vluchtige bestanddelen, zoals waterijs, en zodra ze een beetje in de buurt van de Zon komen gaan ze uitgassen. De daardoor ontstane, in de Zon oplichtende gaswolk rondom het vaste lichaam bemoeilijkt het waarnemen van een sterbedekking enorm, omdat de ster dan niet meer goed zichtbaar is door de wolk heen.
TNO’s en Centaurs